• Waarom een Beroepscode voor de jeugdzorgwerker?

Waarom een Beroepscode voor de jeugdzorgwerker?

“Stel je voor dat je over straat rijdt. Langs de weg staat een bord waarop staat dat je vaart moet verminderen omdat er veel kinderen spelen. Verminder je dan vaart omdat het moet of omdat je het zelf ook belangrijk vindt?
Door dat bord word je er als automobilist aan herinnerd dat je het zelf ook belangrijk vindt dat het veilig is voor kinderen. Zo is het met de code eigenlijk ook: die helpt je herinneren aan waar je zelf ook voor staat in het werk."

‘De beroepscode helpt je herinneren aan waar je zelf voor staat in het werk’

Aan het woord is Jaap Buitink, één van de samenstellers van de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker en trainer. Hij legt uit waarom het eigenlijk nodig is geweest dat jeugdzorgwerkers over een ‘eigen’ ethische code beschikken, hoe de code tot stand is gekomen en welke rol de code in de dagelijkse praktijk gaat spelen. 

“Signalen uit het werkveld van de jeugdzorg wezen erop dat de Beroepscode voor maatschappelijk werkers weliswaar een goede basis is voor ethische reflectie in het brede sociaal werk, maar dat er behoefte was aan een meer specifieke benadering waar het gaat om de zorg voor kinderen en jeugd. Het eerste artikel in de code voor maatschappelijk werkers spreekt over ‘het tot zijn recht laten komen van de cliënt in wisselwerking met zijn omgeving’. Hier wordt specifiek de sociale omgeving bedoeld, de relatie van de cliënt met het maatschappelijke leven. 
Bij kinderen gaat het eveneens om ‘tot zijn recht komen’, maar de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker benoemt dan specifiek de opvoeding en ontwikkeling. Zoals binnen het gezin. Het maatschappelijk leven en de zelfstandige rol daarin staat meer op afstand. Het tot zijn recht komen van kinderen heeft dus veel meer betrekking op een veilige setting waarin kinderen zich kunnen ontwikkelen. Er is een sterke samenhang met de rechten van het kind. De essentie van de ethiek is in de code voor de jeugdzorgwerker niet anders, maar er is wel veel meer aandacht voor de kwetsbaarheid van kinderen – kinderen zijn nu eenmaal kwetsbaarder dan volwassenen - en hun afhankelijkheid van de directe sociale omgeving. 
Daarnaast speelt de beroepsregistratie een rol. Want bij de registratie hoort een beroepsethische code die als het ware op ‘het lijf’ van de jeugdzorgwerkers is geschreven. Het was belangrijk dat jeugdzorgwerkers een eigen ethisch referentiekader kregen, waarin beschreven staat hoe zij vinden ‘dat het hoort’.”

Welke functie heeft de beroepscode in de praktijk van alledag?
“Stel je voor dat je over straat rijdt. Langs de weg staat een bord waarop staat dat je vaart moet verminderen omdat er veel kinderen spelen. Verminder je dan vaart omdat het moet of omdat je het zelf ook belangrijk vindt? Door dat bord word je er als automobilist aan herinnerd  dat je het zelf ook belangrijk vindt dat het veilig is voor kinderen. Zo is het met de code eigenlijk ook: die helpt je herinneren aan waar je zelf ook voor staat in het werk. 
In trainingen hoorde ik wel eens: ‘Ik heb mijn eigen normen en waarden en dat is genoeg’. Over het algemeen volstaan je eigen normen en waarden natuurlijk prima. Of die van collega’s. Maar het geeft wel meer houvast wanneer binnen de beroepsgroep dezelfde normen gehanteerd worden. Die normen geven richting, maar maken ook bewust. Het bord langs de weg als het ware. Zo werkt de beroepscode ook als een hefboom voor reflectie. Hij daagt uit om met elkaar in gesprek te gaan. Waarom doen we eigenlijk wat we doen? Wat vinden we daar eigenlijk belangrijk in? Doen we dingen omdat ze moeten, of omdat we vinden dat het goed is om zo te handelen? Door die discussie onderling aan te gaan, maakt het je eigen bewustzijn als professional sterker.” 

Hoe ervaren professionals de code?
“Er wordt nu veel nadruk gelegd op het toetsende karakter. Alsof de code alleen een maatstaf is om het handelen te beoordelen. Met het tuchtrecht als sluitstuk. De code is echter ook een hulpmiddel om de beroepstrots te versterken. Die trots heeft behoorlijk deuken opgelopen. Incidenten waarbij kinderen zijn overleden, veel media-aandacht voor spraakmakende zaken waarin het ‘falen van jeugdzorg’ breed werd uitgemeten. Maar ook als je goed hebt gehandeld, kunnen nare dingen gebeuren. Je handelen langs de lat van de beroepscode leggen kan uitwijzen dat je het als professional goed hebt gedaan. En dat geeft zelfvertrouwen. 

Ik merk dat professionals het lastig vinden om zich toetsbaar op te stellen. Door de code word je aanspreekbaar. Als je het feit dat je wordt aangesproken op je professionele handelen als persoonlijk falen opvat, dan kan het best bedreigend voelen. Het hele proces van professionalisering betekent dat de werker veel autonomer is in zijn werk. Niet de bureaucratische of hiërarchische kaders bepalen wat je doet, maar je geeft daar zelf richting aan.  Als je gewend bent om houvast te vinden in de structuren buiten jezelf, is dat een forse uitdaging. Want je wordt daarmee ook echt zichtbaar als individuele professional. Niet alleen individuele werkers, maar ook leidinggevenden en organisaties worstelen daarmee.“
Aan de andere kant geeft het ook ruimte. Sociaal werkers hebben dit beroep gekozen omdat ze iets willen betekenen voor anderen. Veel sociaal werkers hebben het gevoel dat de ruimte om dat te doen hen is afgenomen. De beroepscode geeft met de professionele autonomie  die handelingsruimte terug.”

Welke ontwikkelingen mogen we verwachten op beroepsethisch terrein?
“De beroepscode is geëvalueerd en inhoudelijk is het een verhaal wat goed aansluit bij de praktijk. Wel vind ik dat het artikel over vermoeden van kindermishandeling breder getrokken zou moeten  worden in de richting van de beroepscode voor de maatschappelijk werker; signalering van dreigend geweld breder is dan alleen kindermishandeling. Huiselijk geweld tussen ouders kan op termijn ook invloed hebben op kinderen.
Verder blijken medewerkers in wijkteams nog wel eens worstelen met de code. Als wijkteamwerker zit je immers met professionals uit verschillende disciplines aan tafel. Als iedereen dan met zijn eigen code gaat wapperen, dan wordt het lastig om de samenwerking van de grond te krijgen. Overigens wordt nu al gewerkt aan een publicatie van het Centrum Ethiek en Gezondheid over ‘Ethiek en wijkgericht samenwerken’.”

Wat wil je professionals nog meegeven?
“De beroepscode geeft handvatten voor morele reflectie in de praktijk. Net zoals je tijdens je opleiding met gesprektechnieken hebt geoefend, is het leren werken met de beroepscode een proces waarin je gaandeweg steeds sterker komt te staan. De beroepscode vraagt niet om kritiekloze acceptatie, je mag best vragen stellen bij de normen die erin beschreven staan. Je hoeft de borden langs de weg ook niet klakkeloos en zonder nadenken te gehoorzamen. Ga erover in gesprek! Door met jezelf maar ook vooral met collega’s en leidinggevenden en met cliënten de dialoog aan te gaan, word je je steeds bewuster van je eigen referentiekader en professionele ruimte. Zo leer je te formuleren wat ‘goed handelen’ voor jou in jouw dagelijkse praktijk is. En als je daar zicht op hebt, kun je het goede doen. Het zelfvertrouwen en de trots als professional krijgt dan vaste bodem. En daar plukken zeker ook cliënten de vruchten van.”

© Jaap Buitink 2017
www.buitinkbeleidsadvies.nl 

De beroepscode voor de jeugdzorgwerker heet nu de beroepscode voor de jeugd- en gezinsprofessional
Meer info: klik hier